Meicirculaire gemeentefonds


Korte Nieuwstraat 6
6511 PP  Nijmegen
Telefoon 14024
Telefax (024) 323 59 92
E-mail gemeente@nijmegen.nl

Aan de Gemeenteraad van Nijmegen

Datum

Onderwerp
Meicirculaire 2015

Ons kenmerk
FA20/ 15.0006061
Datum uw brief
nvt

Contactpersoon
Elise van Vuuren
Doorkiesnummer
(024) 3292013

Geachte leden van de Raad,

Op 1 juni 2015 is de meicirculaire van het gemeentefonds gepubliceerd. Zoals gebruikelijk informeren wij uw raad per brief over de betekenis hiervan voor onze gemeente.

Inleiding

Wij willen allereerst wat uitleg geven over de verschillende soorten uitkeringen in het gemeentefonds.
Het gemeentefonds kent drie soorten uitkeringen, te weten: algemene uitkering (AU), decentralisatie-uitkering (DU) en integratie-uitkering (IU).

Algemene uitkering
Deze is gekoppeld  aan bepaalde uitgaven in de Rijksbegroting. Stijgen de uitgaven dan stijgt ook de uitkering. Dalen de uitgaven, dan daalt ook de uitkering (trap op-trap af methode). De jaarlijkse toe-of afname van het gemeentefonds heet het accrès.

Decentralisatie-uitkering
Dit zijn uitkeringen voor specifieke onderwerpen zoals Gezond in de stad, Maatschappelijke opvang. Het kan zijn dat niet elke gemeente ervoor in aanmerking komt;  denk hierbij bijvoorbeeld aan de Veiligheidshuizen of LHBT-emancipatiebeleid. Elke DU heeft zijn eigen verdeelsystematiek.  

Integratie-uitkering

Een integratie-uitkering is vergelijkbaar met een decentralisatie-uitkering. Wel is er een
aantal verschillen. Een integratie-uitkering wordt uitgekeerd aan alle gemeenten. Daarnaast
staat het vast dat de integratie-uitkering op termijn wordt overgeheveld naar de algemene
uitkering. Een integratie-uitkering wordt vooral gebruikt om grote herverdeeleffecten op te
vangen. Vanaf 2015 zijn de middelen voor het sociale domein opgenomen in een IU sociaal domein.

Gemeentefonds: afhankelijkheid van Rijksuitgaven heeft grote gevolgen

De doorrekening van de meicirculaire ten opzichte van de septembercirculaire leidt voor de gehele periode 2015 tot 2019 tot een negatief budgettair effect. De oorzaken zijn de daling van het accrès maar ook het effect van de tweede fase van het groot onderhoud van het gemeentefonds alsmede de wijziging van een aantal maatstaven waaronder de maatstaf bijstandsontvangers naar een systeem van drie-jaars gemiddelde. Ook de afschaffing van de suppletieregeling OZB gebruikers werkt voor Nijmegen negatief door.

De oorzaken van de daling van het accrès 2015 zijn gelegen in een aantal macro-economische ontwikkelingen zoals een lagere loon- en prijsontwikkeling dan geraamd, minder uitgaven aan kinderopvangtoeslag en studieleningen en een ramingsbijstelling bij het Ministerie van OCW.

In 2015 is dit negatieve effect maar liefst €4,9 mln.

In 2015 hebben we daarnaast te maken met de afrekening over de daling van het accrès 2014.
Ook deze daling heeft te maken met een lagere uitgaven-ontwikkeling bij de rijksoverheid. Het nadelige effect hiervan bedraagt ± € 1 mln. Als gevolg van de “trap op trap af” methodiek, welke we hiervoor hebben toegelicht, leidt de daling van de rijksuitgaven tot een aanzienlijke daling van het accrès en hiermee tot een daling van het aandeel van Nijmegen in het gemeentefonds.

Van andere 100.000 plus gemeenten bereiken ons soortgelijke geluiden  over grote nadelige effecten. Met name de nadelige effecten in het lopende en eerstvolgende begrotingsjaar zorgen daarbij voor problemen omdat deze negatieve effecten op korte termijn vooral opgevangen moeten worden vanuit de saldireserves van de gemeenten.

Omdat gemeenten zich overvallen voelen door de omvang van de bijstelling als gevolg van de huidige “trap op, trap af” systematiek wordt nagedacht over aanpassing van het systeem. De uitkomsten van deze discussie moeten ook in verband gezien worden met het onderzoek van de commissie Rinnooy Kan over het thema “verruiming belastinggebied” en over de (her)invoering van nieuwe belastingsoorten zoals ingezetenenheffing en OZB G.

Effecten verwerking meicirculaire 2015

Uit onderstaande tabel blijkt zowel het effect van de doorrekening van de meicirculaire ten opzichte van de septembercirculaire als het effect hiervan op onze huidige begroting zoals dat bij de zomernota is gepresenteerd :

Bedragen x €1000

Jr2015

Jr2016

Jr2017

Jr2018

Jr2019

Stand GF na verwerking meicirculaire

189.518

193.146

187.051

184.305

182.681

Stand GF begroting 2015-2018

192.081

195.099

192.241

188.268

188.246

Verschil

-2.563

-1.953

-5.190

-3.963

-5.565

Te corrigeren vanwege DU’s, IU’s, taakmutaties

-2.347

-1.348

176

140

0

budgettair effect

-4.910

-3301

-5014

-3823

-5565

melding zomernota

752

555

487

599

correctie aantallen maatstaf bijstandsontvangers

110

282

272

260

100

Het effect op het financieel beeld wordt veroorzaakt door wijzigingen in de algemene uitkering en in DU’s, IU’s en taakmutaties.

Meerjarig, dat wil zeggen voor de jaren 2016 tot en met 2019, laat de vertaling van de meicirculaire ten opzichte van de septembercirculaire een nadelig effect zien dat oploopt tot €4,9 mln structureel. De redenen zijn hiervoor kort toegelicht. Deels is het ook het gevolg van de systematiek zoals we die thans hanteren voor de reservering van de prijspeilcompensatie. Daarnaast hebben we vooruitlopend op deze effecten in de Zomernota al bedragen gereserveerd. Op deze laatste twee oorzaken komen we verderop in deze brief terug.

DU’s, IU’s en taakmutaties

Het Rijk meldt in de meicirculaire een aantal wijzigingen in taken en integratie- en decentralisatie-uitkeringen. De wijzigingen betreffen vooral positieve bijstellingen (in elk geval in de eerste jaren). Een deel gaat over relatief kleine bedragen. Een paar uitkeringen zijn substantieel en worden hierna toegelicht. Tevens wordt de reeds bekend bezuiniging op huishoudelijke hulp budgettair verwerkt.

De integratie-uitkering sociaal domein komt hierna afzonderlijk aan de orde. Dit laatste onderdeel wordt verderop in deze brief toegelicht.

Bodemsanering

Voor de periode 2016 tot en met 2020 is er net als in 2015 sprake van een decentralisatie-uitkering. Voor 2015 bedragen de middelen €0,9 mln en voor 2016 en verder 1,1 mln per jaar. Het bodembeleid voor deze periode is opgenomen in het convenant “Bodem en Ondergrond” van 17 maart 2015. Het convenant is ondertekend door het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen. Met de ondertekening van het convenant wordt ook de definitieve stap gezet naar de verdere decentralisatie van de middelen. Met de middelen kunnen de gemeenten de beleidsafspraken uit het convenant uitvoeren.

Huishoudelijke hulp Toelage

Deze middelen voor de huishoudelijke hulp voor 2015 en 2016 bedragen €1,4 mln per jaar en zijn door het ministerie van VWS in de vorm van een DU toegekend aan de gemeente Nijmegen. Achtergrond van deze middelen is het stimuleren van de vraag naar huishoudelijke hulp met het oog op behoud van de werkgelegenheid. Deze middelen zijn bij eerder raadsbesluit vooruitlopend op de meicirculaire 2015 toegekend aan programma Zorg en Welzijn.

Maatschappelijke opvang

Op advies van de Raad voor de Financiële Verhoudingen (RFV) vindt de overgang naar een nieuwe - objectieve - verdeelsleutel in twee stappen plaats. In 2016 de ene helft op basis van de historische budgetverdeling en de andere helft op basis van de objectieve verdeelsleutel.
Dit leidt ertoe dat de verdeling van de DU Maatschappelijke opvang in 2017 volledig objectief is.Het bedrag voor maatschappelijke opvang van €2,3 mln is bij de Stadsbegroting 2015-2018 overgeheveld naar het programma.

WMO
De in het regeerakkoord aangekondigde bezuiniging op huishoudelijke hulp wordt in 2016 geëffectueerd. Voor Nijmegen betekent dit een korting van € 1,3 mln voor 2016 en volgende jaren.

Integrale afweging gemeentefondsmiddelen
Met de Zomernota stellen wij voor dat wij bij de bestemming van gemeentefondsmiddelen (DU’s, IU’s, taakmutaties) niet één op één het Rijk volgen maar dat wij een eigen afweging willen maken, die past binnen het gemeente brede beleid en die zo goed mogelijk aansluit bij de lopende begroting.
Deze integrale afweging houdt in dat ook andere aspecten bij de afweging worden betrokken zoals de inzet van de rijksgelden voor de invulling van bezuinigingen, voor het opvangen van eventuele tekorten of voor budgetwensen binnen andere beleidsterreinen. Voor de taakmutaties en DU’s uit de meicirculaire zullen wij een voorstel voorleggen bij de behandeling van de Stadsbegroting 2016-2019. Wel kunnen we nu reeds zeggen dat de meeste uitkeringen belegd zijn met afspraken, zodat we nu reeds kunnen melden dat we geen substantiële bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van het effect van de meicirculaire.

IU sociaal domein

Ten opzichte van de septembercirculaire 2014 is ons budget Integratie-uitkering Sociaal Domein voor 2015 met €3,6 mln verlaagd, te weten van €150.490.007 tot €146.908.217. Dit nadeel loopt tot en met 2019 op naar zo’n €10,8 mln. Een belangrijk deel van deze verlaging heeft te maken met een (voorlopige) verlaging van de middelen voor Beschermd Wonen (5,6 mln). Deze kunnen bij de Septembercirculaire op basis van de gemaakte afspraken mogelijk opwaarts worden bijgesteld. Voor het onderdeel Beschermd wonen verwijzen wij naar een separate brief die gelijktijdig naar uw Raad zal worden verzonden.
Daarnaast dalen de budgetten voor Jeugdzorg. In belangrijke mate hangt deze daling samen met de reeds bekende oplopende rijkstaakstelling, en met de invoering van het objectief verdeelmodel. Ook wordt bij Jeugd en WMO gekort voor minder cliënten, omdat er meer cliënten in de Wet Langdurige Zorg (WLZ)  zijn gebleven. De invoering van het objectief verdeelmodel leidt tot een opwaartse bijstelling van de budgetten Wmo vanwege effecten van extramuralisering. We blijven hier het uitgangspunt hanteren dat we inkopen binnen de rijksbudgetten die we daarvoor krijgen. Voor de WMO en Jeugd lijkt dit goed mogelijk, voor beschermd wonen moet eerst de septembercirculaire worden afgewacht.  

In onderstaande tabel staat weergegeven wat voor 2015 de effecten zijn van deze circulaire voor de onderdelen WMO, Jeugd en Participatie.

Omschrijving; bedragen * € 1,-

Sept 2014

mei 2015

Verschil

WMO nieuwe taken alle gemeenten

20.744.158

20.549.531

-194.627

WMO nieuwe taken centrum-gemeenten

48.347.525

45.726.040

-2.621.485

Jeugd

41.236.157

40.372.439

-863.718

Participatie - Re-integratie

11.585.949

11.336.860

-249.089

Participatie - WSW

28.576.218

28.923.346

347.128

Ramingssystematiek gemeentefonds en reservering prijspeilcompensatie

In het licht van het bovenstaande zijn we genoodzaakt om kritisch te kijken naar de wijze waarop wij in onze ramingssystematiek de aannames van het rijk volgen of niet. Een van de belangrijkste onderdelen – met ook effect op het saldo van onze begroting – is de wijze waarop het rijk en de gemeente Nijmegen de prijspeilcompensatie berekent.
Deze wijze is verschillend en heeft feitelijk tot gevolg dat we ons in Nijmegen arm rekenen ten opzichte van de aannames bij bijvoorbeeld de meicirculaire en daarmee de raming in het gemeentefonds

Vorig jaar leverde dit ook een verschil op en hebben wij hiervoor een correctie opgenomen met de Stadsbegroting 2015. Wij komen tot de conclusie dat dit verschil veroorzaakt wordt doordat wij uitgaan van een ander percentage dan het Rijk bij het terugrekenen van het prijspeil in het gemeentefonds.

Hierna leggen wij in het kort uit wat het verschil is tussen ons systeem en dat van het rijk.

Het rijk hanteert zogeheten “lopende prijzen” terwijl wij “constante prijzen” hanteren bij de raming van het gemeentefonds. Bij de aanpassing van lopende prijzen naar constante prijzen gaat het Rijk uit van een lager percentage prijspeilaanpassing (gebaseerd op het Binnenlands Bruto Product, hierna BBP)) dan wij. Dit percentage is voor de komende jaren 0,5%. Wij gaan vanuit het principe van behoedzaamheid uit van een hoger percentage voor de indexatie, namelijk een vast percentage van 2% hetgeen zich vertaalt naar een vast bedrag van € 3,5 miljoen per jaarschijf. Behoedzaamheid omdat we in de raming van het gemeentefonds meer  middelen bestemmen voor prijsbijstelling dan het Rijk doet. Dit maakt dat wij in de raming van het gemeentefonds een soort van buffer creëren. Deze aanpak zorgt er ook voor dat wij ons in feite arm rekenen.
Wij stellen voor om ook op dit punt onze manier van ramen in lijn te brengen met ons financiële beleid. Ons financiële beleid is namelijk gestoeld op het principe dat wij sparen in de saldireserve. We lopen hiermee geen risico want bij een volgende circulaire corrigeert het rijk het prijspeil weer. Dit gebeurt jaarlijks en slechts voor het lopende jaar.

Deze verschillen in raming hebben effect op het financieel beeld van de gemeente. We stellen voor om deze verandering in ramingstechniek te verwerken in de begroting 2016, samen met de voorstellen van de Zomernota.

Deze aanpassing heeft zoals gezegd financiële effecten. Allereerst hoeven we zelf in de meerjarenraming minder geld te bestemmen voor onze prijsbijstelling met als gevolg dat er middelen vrijvallen in de begroting. Aan de andere kant hebben we in de meerjarenraming nadelen omdat we te veel voor de prijscompensatie hebben gereserveerd.

We stellen voor het financieel effect van de bijstelling ook te betrekken bij de effecten van de meicirculaire. Daarnaast blijft er ruimte over. Ons voorstel is om de uitkomsten van de septembercirculaire af te wachten en met deze inzichten de definitieve  ruimte te bepalen en dit te storten in de saldireserve.

Financiële betekenis verschil in ramingsmethodiek Rijk en gemeente Nijmegen
In onderstaande tabel  is inzichtelijk gemaakt wat de impact is van de aanpassing van het systeem.

Als eerste wordt de huidige reservering op basis van 2% gegeven, daarbij wordt een aantal eerder genomen correcties betrokken. Dit wordt afgezet tegen de reservering die we op basis van de prijsmutatie BBP gaan nemen.

Verschil te reserveren voor prijscompensatie (in € miljoen)

2016

2017

2018

2019

Huidige reservering op basis van 2%

3,5

7,0

10,5

Eerdere correcties:

- reservering prijscompensatie 2018 (Stadsbegroting 2015)

-2,5

-2,5

- A10. Reservering prijscompensatie 2018 e.v. (Zomernota 2015)

0,7

0,7

Beschikbaar voor prijscompensatie op basis 2%

3,5

5,2

8,7

Reservering op basis prijsmutatie bbp

0,9

1,8

2,7

Financieel beeld Stadsbegroting 2016-2019 na zomernota en meicirculaire

In de Zomernota hebben we een financieel beeld geschetst dat in de laatste jaarschijf een bescheiden plusje liet zien. De meicirculaire lijkt op het eerste gezicht dit beeld behoorlijk om te draaien, met als resultaat dat we van een bescheiden plusje naar een forse min gaan.

Voor het jaar 2015 is dit ook het geval. Omdat wij nu pas worden geconfronteerd met deze uitkomst en gezien de lopende afspraken en de rechtszekerheid voor onze burgers stellen wij voor om voor 2015 geen maatregelen te treffen en dit effect als een verlies te accepteren.

Voor de jaren 2016 en verder hebben we voor een deel al maatregelen getroffen in de zomernota. Een daarvan was het reserveren van het voordeel op de indexering van €1,4 mln (zie volgende tabel) voor het opvangen van tegenvallende accressen. Omdat nu blijkt dat we bij de meicirculaire al te maken hebben met een dalend accrès stellen we voor om deze reservering hiervoor nu al in te zetten.

Voor een deel is het effect ontstaan door het hanteren van een te hoge reservering voor prijsbijstelling. Door deze aan te passen, daalt het effect uit de meicirculaire aanzienlijk. Ook kunnen we hierdoor vanaf 2017 het overschot op de exploitatiebegroting structureel storten in de saldireserve.

Uiteindelijk leidt dit tot een financieel beeld waarbij 2016 met een nadeel sluit van €2,5 miljoen. In de jaren daarna is het resultaat positief. Voor het jaar 2016 zullen wij bij de Stadsbegroting 2016 voorstellen € 2,5 miljoen uit de saldireserve te onttrekken. De positieve resultaten willen we zoveel mogelijk gebruiken om bij de stadsbegroting de saldireserve voeden.

Bedragen * € 1 miljoen

2015

2016

2017

2018

2019

Financieel beeld  Zomernota

-1,5

-1,6

2,4

0,8

0,3

Effect meicirculaire op financieel beeld

-4,8

-2,3

-4,2

-3,1

-4,9

Effect meicirculaire – afrekening  2014

-1,0

Vrijval A13. Verwachte tegenvallende accres in GF  (zomernota)

1,4

1,4

1,4

1,4

Ramingsverschil prijsbijstelling

2,6

3,4

6,0

Conclusie is dat na verwerking van de meicirculaire ons meerjarenbeeld nog steeds financieel sluitend is. Echter: we ontkomen er niet aan om voor het financiële effect van 2015 terug te vallen op de saldireserve. Meerjarig zien we ook mogelijkheden om extra middelen toe te voegen aan de saldireserve. Zoals in de zomernota is aangegeven,  zijn we blijvend in staat om onze doelstelling te bereiken in 2018 waarbij we de factor 1 tussen weerstandsvermogen en risicoprofiel halen.

Hoogachtend,

college van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen,

De Burgemeester,        De Gemeentesecretaris,


drs. H.M.F. Bruls           drs. B. van der Ploeg