Grondslagen en uitgangspunten

Areaalontwikkeling inwoners en woningen

In het financiële beeld houden we rekening met de ontwikkeling van de woningbouw en de aantallen inwoners. We gebruiken hiervoor cijfers van Onderzoek en Statistiek en Bureau Wonen.
Deze aantallen worden onder meer gebruikt in de ramingen van het Gemeentefonds en de belastingopbrengsten.

Op basis van deze cijfers van de woningbouwplanning komen we tot de volgende prognose:

Aantal woningen per 1-1

2016

2017

2018

2019

Bestaande stad

74.068

74.248

74.428

74.508

Waalfront

150

350

550

750

Waalsprong

5.617

6.017

6.417

6.917

Bijzonder bebouwing

4.404

4.404

4.404

4.404

Totaal

84.239

85.019

85.799

86.579

Verschil t.o.v. Stadsbegroting 2015

Bestaande stad

295

415

535

755

Waalfront

200

350

250

150

Waalsprong

125

275

475

575

Bijzonder bebouwing

0

0

0

0

Ten opzichte van vorig jaar verwachten we een hogere woningproductie van gemiddeld circa 300 per jaar. Jaarlijks loopt hierdoor het aantal woningen dat we meer verwachten dan vorig jaar met ca.  300 stuks op.

2016

2017

2018

2019

Aantal inwoners per 1-1

171.644

172.644

173.544

174.544

Toename t.o.v. raming begroting 2015

1.000

900

1.000

1.000

Ten opzichte van vorig jaar verwachten we geen extra toename van inwoners. Door een grotere toename dan verwacht in 2014 is wel de beginstand hoger.

Voor de opbrengstontwikkeling van de OZB niet woningen gaan we uit van een areaal uitbreiding van € 100 miljoen WOZ-waarde per jaar. Voor de jaren tot en met 2018 is dit al in de begroting verwerkt.

Begrotingseffect

Wij ramen per woning € 400,- aan extra inkomsten uit het Gemeentefonds en € 400,- per jaar aan OZB. Voor de woningen die gerealiseerd worden in de Waalfront ramen we geen extra OZB inkomsten. Voor dit gebied hebben we afgesproken dat de OZB inkomsten naar de planexploitatie gaan.
Per nieuwe bewoner houden we in de begroting rekening met € 200,- extra bijdrage uit het gemeentefonds.
Voor het onderhoud van de openbare ruimte reserveren we € 400,- per nieuwe woning.
Om onze investeringsvolume te vergroten, voegen we per woning € 100,- en de helft van de areaalontwikkeling voor OZB-niet woningen  toe aan de kapitaallasten.
Deze begrotingseffecten zijn meegenomen in de ontwikkeling van de algemene middelen.

Indexering

Op grond van de cijfers uit Centraal Economisch Plan van het CPB van 16 maart 2015 komen wij tot de volgende indexeringspercentages:

Indexeringspercentages

loonsom

materiële lasten

Inflatie (CPI)

Gemeentelijke tarieven

T.b.v. subsidies

Verwachting 2016

2,30%

1,40%

1,20%

Nacalculatie 2015

-1,90%

-0,40%

-1,10%

Indexeringspercentage 2016

0,40%

1,00%

0,10%

0,87%

0,87%

De voorspellingen van het cpb voor zowel het huidig als volgend jaar laten een aanmerkelijk lagere prijspeil ontwikkeling zien dan in voorgaande jaren.
De forse neerwaartse bijstelling van de loonsom indexering in 2015 wordt vooral veroorzaakt door het voordelige effect voor ons als werkgever vanuit de pensioenafspraken. Hierdoor besparen we € 1miljoen aan loonsom kosten.
Bij de materiële lasten zien we een kleinere bijstelling. Hier hebben we bij de Stadsbegroting 2015 al 0,75% op de indexering die we in de perspectiefnota hebben voorgesteld terug genomen. Nu blijkt de bijstelling nog eens met 0,4% naar beneden bijgesteld te kunnen worden.

In het gemeentefonds reserveren we jaarlijks 2% prijscompensatie. Fors meer dan de huidige prijsbijstelling. Hierdoor verwachten we ongeveer € 2,4 miljoen over te houden op de indexering. Vorig jaar  bleek helaas in de septembercirculaire dat de ontwikkeling van het gemeentefonds lager uitviel vanwege de lagere prijsontwikkeling. Daarom nemen we in de algemene middelen een vrijval van € 1 miljoen mee vanuit de lagere werkgeverslasten en reserveren we € 1,4 miljoen om de waarschijnlijke tegenvallende gemeentefonds uitkering op te vangen.

Rente

2016

2017

2018

2019

Rekenrente:

- Inzet van reserves en voorzieningen

 4,0%

- Doorberekening aan investeringen

 4,0%

- Rekenrente voor planexploitaties

 4,0%

Langlopende leningen

2,5%

3,0%

3,5%

4,0%

Kortlopende leningen

1,0%

2,0%

3,0%

4,0%

De voorgestelde rentes zijn gelijk aan vorig jaar, met dit verschil dat ze één jaar zijn opgeschoven. De structurele rente waar we van uitgaan is 4%. Deze rente ligt in lijn met de betaalde rente van de afgelopen 15 jaar. De verwachting is dat de rente de komende jaren nog steeds laag uitvallen.
Met de gekozen rentes kiezen we  voor een veilig en bestendig uitgangspunt voor de begroting.

Parameters grondexploitaties

Jaarlijks vindt een herijking van de parameters voor planexploitaties plaats. Tot nu toe werden deze vertaald in een risiconota grondbeleid, die separaat aan de raad ter besluitvorming werd voorgelegd. Vorige jaar heeft uw Raad besloten deze risico-nota integraal op te nemen in de bestaande (vernieuwde) P&C-cyclus.
De parameters worden vastgesteld via de Zomernota, opdat deze tijdig als basis kunnen dienen voor de actualisatie van de planexploitaties in het VGP (peildatum 1 oktober a.s.). De risico-actualisatie op hoofdlijnen wordt ingepast in de risicoparagraaf van de Stadsbegroting.

Voor actualisatie van de parameters worden de economische ontwikkelingen verkend. Dat zijn de algemene ontwikkeling van de economie (bron het Centraal  Planbureau, dat jaarlijks een Centraal economisch plan opstelt) én een aantal bronnen die de prijsontwikkeling van woningen, kantoren bedrijfsruimte volgt en daaraan trends ontleent (DN, Rabo, DTZ). Ook de ontwikkeling van grondkosten wordt bezien (bronnen BDB-index) alsmede de renteontwikkeling.

Dat leidt tot de conclusie op hoofdlijnen, dat er sprake is van een beperkte verbetering. Van de grondopbrengsten van koopwoningen en een lichte negatieve aanpassing van de grondopbrengsten voor kantoren, de overige parameters blijven ongewijzigd: zie onderstaande tabel.

Parameters planexploitaties

Planexploitaties langlopend 2016 2017 2018 2019 2020 2021 e.v.

Planexploitaties langlopend

2016

2017

2018

2019

2020

2021 e.v.

Opbrengsten woningen

1,50%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

Opbrengsten kantoren

0,00%

0,50%

1,00%

1,50%

2,00%

2,00%

Opbrengsten bedrijfsruimten

1,00%

1,50%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

Opbrengsten winkelruimten

0,00%

0,50%

1,00%

1,50%

2,00%

2,00%

Grondkosten

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

Rente

4,00%

4,00%

4,00%

4,00%

4,00%

4,00%

Planexploitaties kortlopend

2016

2017

2018

2019

2020

2021 e.v.

Opbrengsten woningen

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

Opbrengsten kantoren

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

Opbrengsten bedrijfsruimten

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

Opbrengsten winkelruimten

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

n.v.t.

Grondkosten

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

2,00%

n.v.t.

Rente

4,00%

4,00%

4,00%

4,00%

4,00%

n.v.t.

Deze actualisatie is op hoofdlijnen doorgerekend met een beperkte resultaatsverbetering als uitkomst. Op grond daarvan is er op dit moment geen reden om aanvullende maatregelen te treffen om ons voor te bereiden op  nieuwe tekorten.

PricewaterhouseCoopers Advisory heeft de door het College voorgestelde parameters beoordeeld. In het algemeen worden de voorgestelde parameters aannemelijk genoemd. Voor de parameter voor de grondprijsontwikkelingen voor de koopwoningen wordt opgemerkt dat de specifieke onderbouwing voor de regio Arnhem-Nijmegen ontbreekt. Ons College merkt op dat regionale voorspellingen ontbreken en dat de regio Arnhem-Nijmegen de afgelopen jaren de landelijke trends heeft gevolgd. Er is geen reden om te verwachten dat de regio Arnhem-Nijmegen negatief gaat afwijken. Voor de parameters voor commercieel vastgoed worden enkele opmerkingen geplaatst. Deze geven ons geen aanleiding voor bijstelling van de voorgestelde parameters.

Tot slot worden er, zoals gebruikelijk, twee alternatieve scenario’s verkend:

Negatief scenario: beperkte prijsontwikkeling en vraaguitval
Positief scenario: krachtig herstel economie.

De uitkomsten van beide scenario’s worden verwerkt in de risico-paragraaf van de Stadsbegroting 2016.

Aanpassen productnamen

Vanuit het programma Zorg & Welzijn wordt voorgesteld een tweetal producten anders te gaan noemen. Het gaat om:

Productnaam oud: Productnaam nieuw:
Individuele voorzieningen Maatwerkvoorzieningen
Maatschappelijke opvang Opvang en beschermd wonen

De reden om de naam van het product Individuele voorzieningen te veranderen in maatwerkvoorzieningen is dat dit aansluit met de nieuwe WMO die per 1 januari 2015 is ingegaan. In deze wet is de term “individuele voorzieningen” gewijzigd in “maatwerkvoorzieningen”. We sluiten hiermee dus beter aan op de gebruikte terminologie.
Het argument voor de naamsverandering van “Maatschappelijke opvang en beschermd wonen” in “Opvang en beschermd wonen” is dat het beschermd wonen vanwege de decentralisaties dermate groot is geworden dat wij van mening zijn dat dit ook in de naam terug hoort te komen.

Aanpassing beleid taakmutaties gemeentefonds

In de Stadsbegroting 2015 hebben wij onze zienswijze over taakmutaties met u gedeeld en de afspraak gemaakt om via de auditcommissie met u in gesprek te gaan over dit onderwerp. In de afgelopen maanden hebben wij onze zienswijze verder aangescherpt en hebben dit onderwerp besproken met de auditcommissie. In deze paragraaf leggen wij deze nieuwe werkwijze aan u voor. Voordat wij dat doen lichten we nog even kort een paar relevante termen uit het gemeentefonds toe.

Decentralisatie-uitkeringen (DU’s)
Dit zijn uitkeringen voor specifieke onderwerpen zoals Gezond in de stad, Maatschappelijke opvang.  Elke DU heeft zijn eigen verdeelsystematiek. Het kan zijn dat niet elke gemeente ervoor in aanmerking komt.

Integratie-uitkeringen (IU’s)
Een integratie-uitkering is een uitkering die wordt uitgekeerd aan alle gemeenten en die
op termijn wordt overgeheveld naar de algemene uitkering. Een integratie-uitkering wordt ook gebruikt om grote herverdeeleffecten op te vangen. Vanaf 2015 zijn de middelen voor het sociale domein opgenomen in een IU sociaal domein.

Taakmutaties (T)
Het Rijk verdeelt de algemene uitkering over alle Nederlandse gemeenten via een zestigtal
maatstaven. Wijzigingen op deze maatstaven die het Rijk rechtstreeks aan specifieke taken koppelt noemen wij taakmutaties.

Beleid taakmutaties

Het beleid van onze gemeente is tot nu toe geweest om het rijk te volgen bij de bestemming van deze rijksmiddelen en deze in beginsel beschikbaar te houden voor desbetreffende beleidsterreinen. De gelden kwamen beschikbaar voor de beleidsvelden zonder een integrale afweging.

De centrale overweging bij een nieuwe aanpak is dat wij als gemeente niet één op één het Rijk willen volgen bij de bestemming van de gelden. Wij willen een eigen afweging maken, die zoveel mogelijk integraal is, die past binnen het gemeente brede beleid en die zo goed mogelijk aansluit bij de lopende begroting. Deze integrale afweging houdt in dat ook andere aspecten bij de afweging worden betrokken zoals de inzet van de Rijksgelden voor de invulling van bezuinigingen, voor het opvangen van eventuele tekorten of voor budgetwensen binnen andere beleidsterreinen.  

Het uitgangspunt is dat als er geen harde afspraken bestaan met derden, regiogemeenten of het rijk we integraal afwegen. Om dit te bepalen toetsen we de uitkering aan vier criteria. Hierbij geldt dat “aan hoe meer criteria er voldaan wordt, hoe bezwaarlijker de integrale afweging is voor een bepaald beleidsterrein”.  Deze vier criteria zijn:
1. Bijdrage is één op één gekoppeld aan de uitvoering van (een) bestaande taak/beleid
2. Bijdrage is bestemd voor regionale functie
3. Bijdrage is bestemd  voor een open einde regeling
4. Voor de inzet van deze bijdrage zijn afspraken met derden gemaakt

Twee keer per jaar verschijnt er een circulaire van het Rijk over het gemeentefonds; in mei en in september (in december verschijnt er een beperkte circulaire). Op die momenten brengen we de budgetten die we ontvangen voor taakmutaties, DU’s en IU’s in beeld, vervolgens zullen wij u een voorstel voorleggen waarin is aangegeven welke middelen beschikbaar komen voor integrale afweging.